Sovereignty Washing: Het Verschil Tussen een Label en een Fundament
- 14 apr
- 5 minuten om te lezen
5 minuten leestijd
Er is een nieuw woord in omloop in Europese techkringen: sovereignty washing. Het beschrijft een fenomeen dat iedereen herkent maar niemand graag hardop benoemt. Servers in Frankfurt. Een EU-vlaggetje in de marketingpresentatie. Een Europese BV als juridische schil. En een moederbedrijf in de VS dat onder de Amerikaanse CLOUD Act valt — en daarmee toegang kan worden gevorderd tot elke byte data die op die servers staat, waar ook ter wereld.

Het is niet de eerste keer dat de industrie een maatschappelijke zorg omzet in een product. Maar het is een van de meest kostbare varianten. Want wie soevereiniteit koopt zonder eigenaarschap te verwerven, koopt een gevoel. Geen garantie. En zeker geen continuïteit.
De anatomie van een wassen neus
Sovereignty washing werkt niet door te liegen. Het werkt door te compenseren.
Als voorbeelden: de toetsingsinstrumenten die momenteel worden ontwikkeld — het DICTU Toetsingsinstrument Soevereiniteit Clouddiensten, het Europese Cloud Sovereignty Framework — zijn serieuze stappen vooruit. Beide beoordelen leveranciers langs meerdere dimensies: jurisdictie, technologie, operationeel beheer, data, mensen. Maar beiden delen hetzelfde structurele risico: een gewogen totaalscore. Een grote hyperscaler kan hoog scoren op open standaarden en EU-infrastructuur — en daarmee een fundamenteel lage score op jurisdictie maskeren.
Op dat laatste criterium bestaat geen trucje. Je moederbedrijf zit in de VS of het zit er niet. Je valt onder de CLOUD Act of je valt er niet onder. Europese verpakkingen — EU-personeel, EU-datacenters, EU-certificering — leveren punten op in een scoremodel, terwijl de code, de updates, de intellectuele eigendom en de uiteindelijke zeggenschap Amerikaans blijven.
Ludo Baauw, medeoprichter van de DEC-Alliance, observeerde dit van nabij tijdens de Open Dialogen NDS Cloud van het ministerie van BZK. 69 marktpartijen namen deel. Ruwweg een kwart was Amerikaans — in eigendom, hoofdkantoor of via het moederbedrijf. De overheid vroeg de markt hoe we onafhankelijker van de markt kunnen worden.
Het antwoord was voorspelbaar: hybride modellen, soevereine clouds naast de public cloud van dezelfde partijen die zojuist uitlegden dat je het niet zonder hen kunt. Zoals Baauw het kernachtig formuleerde: zolang de overheid complete stacks accepteert waarbij hardware, platform, software en identiteitsbeheer van één partij komen, is elk gesprek over soevereiniteit cosmetisch. Zonder open architectuur, open standaarden en open source — de drie opens — ben je geen klant. Je bent een gijzelaar.
Drie continuïteiten die tellen
De DEC-Alliance vertrekt vanuit een andere premisse — en die is niet nieuw. Zij is vanaf de eerste dag ingebakken in de structuur van de alliantie.
Digitale autonomie is geen zwart-witvraag. Absolute onafhankelijkheid is een illusie, en wie dat anders beweert begrijpt noch de technologie noch de economie. De vraag is niet of je samenwerkt met grote internationale spelers. De vraag is wie de sleutel heeft. Wie kan besluiten waar workloads draaien, welke data wordt gedeeld, en wat er gebeurt als de geopolitieke wind draait.
Dat antwoord ligt niet in technologie. Het ligt in drie vormen van continuïteit die samen bepalen of digitale autonomie reëel is of cosmetisch.
Continuïteit in technologie — infrastructuur als publiek goed, niet als geopolitiek machtsmiddel. Open standaarden, open architectuur, de mogelijkheid om zonder toestemming van een buitenlandse leverancier te migreren. Voor standaardfuncties zijn de Europese alternatieven er al. Het is minder complex dan het wordt voorgesteld.
Continuïteit in ondernemerschap — generatiedenken boven exitdenken. Vitale mid-market techbedrijven die niet gedreven worden door de logica van kortetermijnkapitaal, maar verankerd zijn in een vertrouwenskring van peers. Zoals Jan Bakker, CEO van Avisi, het telkens stelt: kennis en kunde kunnen snel verloren gaan als technologie naar het buitenland wordt uitbesteed of verkocht. Een plan B is geen luxe — het is een strategische verplichting.
Continuïteit in eigenaarschap — evergreen kapitaal in plaats van vluchtig geld. Maar ook: golden shares die zeggenschap verankeren bij lokale partijen. Personeelsparticipatie die betrokkenheid structureel maakt. Ecosystemen waarin verkopende aandeelhouders een deel van hun opbrengsten doorplaatsen in de alliantie. Eigenaarschap niet als juridische constructie, maar als levend fundament van een lokaal ecosysteem.
Wie deze drie niet borgt, is — ongeacht de retoriek — aan sovereignty washing bezig.
Een nieuwe asset klasse
Voor investeerders is dit meer dan een maatschappelijk thema. Het is een onderschatte beleggingscategorie.
De vitale mid-market techbedrijven die de DEC-Alliance samenbrengt — de Verborgen Parels van Europa's digitale infrastructuur — opereren op het snijvlak van twee krachtige trends: de structurele digitalisering van de economie en de groeiende maatschappelijke urgentie rond eigenaarschap en continuïteit. Dat snijvlak creëert een asset klasse met kenmerken die in combinatie zelden voorkomen.
Deze bedrijven bestaan al lang. Zij zijn diep verweven in de ketens van zorg, overheid, onderwijs en financiële dienstverlening. Zij draaien op terugkerende inkomstenstromen — recurring revenue als structureel fundament, niet als groeiverhaal. Zij zijn moeilijk te vervangen en weinig gevoelig voor conjunctuurschommelingen.
Tegelijkertijd zijn zij, juist omdat zij vitaal zijn, te lang genegeerd door institutioneel kapitaal dat op schaal en snelheid was gericht. Dat creëert een waarderingsgat — en een kans.
Het DEC-Alliance model sluit daarop aan via een evergreen fondsstructuur die continuïteit centraal zet. Omdat er geen exitdruk bestaat, kan kapitaal zijn werk doen: langetermijncompounding in bedrijven met bewezen recurring revenue, zonder de waardevernietiging die gedwongen transacties met zich meebrengen. Liquiditeit is geen bijzaak — er wordt serieus over nagedacht — maar zij is het gevolg van gezonde bedrijfsvoering, niet de drijfveer ervan. De verwachte jaarlijkse rendementen van 10 tot 15 procent zijn dan ook niet gebaseerd op speculatieve groei, maar op de stille kracht van bedrijven die al decennia onmisbaar zijn.
Daarbij geldt: hoe steviger het eigenaarschap lokaal is verankerd — via governance, golden shares en alliantieafspraken — hoe minder kwetsbaar de investering is voor de risico's die sovereignty washing juist blootlegt. Juridische kwetsbaarheid via extraterritoriale wetgeving. Strategische afhankelijkheid van partijen met afwijkende belangen. Kapitaalstromen die bij overnames buiten de Europese economie verdwijnen.
Wat overblijft is een investering in bedrijven die er over tien jaar nog staan, nog steeds onmisbaar zijn, en ondertussen de digitale ruggengraat van Nederland en Europa mede hebben versterkt. Dat dat samenvalt met een aantrekkelijk rendement is geen toeval — het is de structuur.
Bewijs in de praktijk
Begin 2026 richtte Baauw vanuit Intermax Group de Open Cloud Alliantie op — een coalitie van zeven Nederlandse cloudproviders: Centric, Info Support, Intermax, KPN, Nebul, Previder en Uniserver. Gezamenlijk meer dan 20 datacenters, meer dan 2,5 miljard euro cloudomzet, meer dan 13.500 medewerkers.
Geen rapport. Geen position paper. Een werkende structuur, gebouwd op open standaarden, met afspraken over wat er gebeurt als een partner in niet-Europese handen valt. Technisch binnen weken operationeel. Volledig onder Nederlandse en Europese jurisdictie.
Dit is de logica van de DEC-Alliance in de praktijk: niet soevereiniteit als label, maar continuïteit als dagelijks handelen. De drie opens als harde eis, niet als voorkeur. Eigenaarschap als structureel anker, niet als marketingbelofte.
Er wordt in Den Haag en Brussel veel gepraat over digitale soevereiniteit. De DEC-Alliance bouwt eraan.


